"Ben je wel bang geweest?"

Dit is de meest gestelde vraag als je heelhuids terug bent van het front. Het is het complement van de meest gegeven raad "Wees voorzichtig" tijdens je verblijf in Irak. Je was daar in een periode (de eerste weken van april) dat de spanning, de strijd en het gevaar met de dag toenamen. Eerst de strijd met Moqtada Al-Ssadr in oa.Ssadr City in het noorden van Baghdad, vervolgens de frontale Amerikaanse aanval op Fallujah en dan het antwoord: buitenlanders gijzelen om terugtrekking van buitenlandse troepen te eisen. In Irak zijn mensen in staat mensen zoals jij te gijzelen voor een politiek doel (en in een enkel geval te doden ook). En er zijn ook mensen in staat om je te gijzelen uit pure bezorgdheid.

Zo eiste de dichter Muafak Mohamed bijkans dat ik hem zou bezoeken in Babylon, waar we dan een traditioneel ontbijt van bruine bonen en jonge uien zouden gebruiken en een bezoek aan de hamam brengen voor de broodnodige lichaamsverzorging En natuurlijk een bedevaart naar de bron van onze beschaving. Wie wil dat nou niet? Dus zei ik gretig "ja!". Een paar dagen helemaal weg uit heftig en chaotisch Baghdad zou heilzaam zijn voor lichaam en geest. En geen beter gezelschap dan dat van Muafak en Salah en Hazim, allen geboortig uit Babylon, althans uit de nabijgelegen stad Hellah (aan de Eufraat, maar alla). Maar vooral ook zouden we ver van het gevaar dat Bagdad heet vertoeven.

Want het aandringen van Muafak was niet geheel belangeloos. Ik wist al dat hij sinds 1991 op zoek is naar zijn zoon, die toen in de Golfoorlog sneuvelde voor Saddam Hussein. Ik wist al dat hij zich niet kon neerleggen bij het feit dat het lichaam nooit is gevonden. En dat zijn poezie en zijn performance doorspekt zijn van verdriet en razernij om dit verlies, om dit verloren zijn. En ik had hem verteld dat ik mijn vader had verloren. Ik had hem, en mezelf, gewaarschuwd.

We hadden gesproken en gedronken in Basrah, op zijn hotelkamer, tijdens Merbed. Ik was de enige buitenlandse bezoeker tijdens dit eerste Irakese poeziefestival sinds de val van Saddam, bijna een jaar te voren. We discussieerden over zijn poezie en over vrouwen. Ik vroeg me hardop af of hij de vrouw in zijn poezie niet reduceerde tot weduwe, en haar daarmee veroordeelde tot dubbel slachtoffer: als nabestaande en als afgeleide van de man (haar man, haar zoon). En Muafak had geantwoord dat zijn vrouw dat zo voelde, en dat zij het verlies van haar zoon beantwoordde met sexuele zelfmoord.

Ik was voor Muafak angst en belofte, razernij en verlangen tegelijk. Daarom wilde hij mij bij zich hebben. En ik koesterde mij in die oeverloze warmte, op zoek als ik ben naar intensiteit, naar heftigheid. Naar vaderschap?

Is dat ook angst? Niet de abstracte, algemene angst voor een politieke aktie of stommiteit van een terrorist, een soldaat of een chauffeur. Oftewel de angst voor een situatie waarin je bent overgeleverd aan de willekeur van anderen. Op zo'n situatie bereid je je ook voor: je bent voorzichtig, kieskeurig met gezelschap, taxi's en situaties waar je je al dan niet in begeeft. Je laat mensen weten waar je naartoe gaat, zeker als je alleen op stap gaat. Je zorgt dat je mobieltje werkt en je zaklamp en dat je genoeg geld op veilige plekken bij je draagt. Je geeft duidelijke instructies aan je driver: "Ga niet vechten, probeer mijn rugzak te redden, noteer zoveel mogelijk gegevens van gezichten, namen, kleding, nummerplaten, wat ze zeggen, enzovoort. En alarmeer zo snel mogelijk mijn vrouw Sanja en mijn soul mate Salam. Ik zal ook niet de held gaan uithangen, maar ze wel recht in de ogen kijken, proberen te communiceren, mezelf inleven in hun motieven en mijn verhouding daarmee. Ik vertrouw op mijn ervaring, ik ben eerder min of meer gegijzeld in Montenegro door soldaten van Milosevic die me van spionage beschuldigden. Ik heb een opdracht bij me van de Nederlandse Moslim Omroep, mooi in het arabisch geschreven. En Holland is okay voor de meeste Iraki's (van Basten! bloemen!). Ik weet dat de eerste minuten het gevaarlijkst zijn, als zij en ik allebei nerveus zijn. Ik ga ervan uit dat ik voor hen levend meer waard ben dan dood. Dus neem ik me voor ook te genieten van hun gastvrijheid, want dat is het ook: ongevraagde gastvrijheid. Dus neem je je voor je op te stellen als een gast, die de normen en waarden van zijn gastheren respecteert. De rest ligt in Gods handen, Allah u akbar!

Wat irriteert is dat die abstracte angst heel concreet vooruit snelt in de vorm van die eeuwige bezwering "wees voorzichtig", doe dit niet, doe dat niet, ga niet naar buiten, sluit je op. Wat irriteert is dat je beste vrienden en de domste bewakers eendrachtig je bewegingsvrijheid inperken. En dat jij je daar na enige tijd bij neer moet leggen omdat je beseft dat jouw aanwezigheid als buitenlander ook voor hen een last is, en een risico. Zeker als jij net zo onberekenbaar bent als de bedreiging van buiten. Want ik klim over een hek als dat op slot is (en niemand wakker wil maken), en ik ga op zoek naar een telefoon of internet als het hotel daar niet in voorziet. Ik ben daar om met eigen oren en ogen te horen en te zien. Om te ervaren en de grenzen te verkennen. Zo'n journalist en aktivist ben ik nou eenmaal.

Met zo'n houding kun je gastvrijheid op de proef stellen, ruzie krijgen met vrienden die jouw logica niet volgen. Ik heb geen tijd te verliezen, ik heb altijd haast, want ik ben straks weer weg. En Sanja wil weten waar ik ben, en mijn zoon Pascal wil mij horen. En ik hem.

In het ergste geval ben je dan alleen als je hulp nodig hebt. Als je je niet verstaanbaar kunt maken, als je verdwaalt en de taxichauffeur ook de weg niet weet. Of als er geen koffie is, of geen ontbijt. Als de TV te hard staat, of als je drie keer moet vragen om een doekje omdat je ketchup hebt gemorst. Of als radio 1 je niet op de zender laat en buitenlandse zaken doet alsof je niet bestaat. Alledaagse grenzen van het sociale leven, die onder spanning zomaar kunnen ontaarden in een mijnenveld voor de wellevendheid. Dat is misschien angst voor jezelf, want dat kan je op elk onbewaakt ogenblik opbreken.

Mijn taktiek bestaat eruit te verdwijnen, onzichtbaar, onherkenbaar te worden als buitenlander en als journalist. Ik probeer de afstand te verkleinen door mijn snor te laten staan en een zonnebril op te zetten. Door een paar woorden Arabsich zo goed mogelijk uit te spreken, bij voorkeur lokaal slang: shonek? (hoe gaat 't?), sehn! (uit de kunst!). Door te doen alsof ik me thuis voel en toch mezelf te blijven. Door mijn "two minutes of free speech" voor de Communistische Partij van Irak te gebruiken om trots te zijn op Amsterdam, de manuscripten van Marx en Bakounin in nhet IISG, Henk Sneevliet en Anton Pannekoek. En te pleiten voor historisch besef en de noodzaak tot permanente vernieuwing van de krachten van bevrijding, solidariteit en menselijkheid. En door eigenwijs genoeg te zijn om als oude kraker te weten wat het is om bedreigd te worden en dus zelf de beveiliging te controleren.

Uiteindelijk ben ik helaas niet naar Babylon gegaan. Teveel beren op de weg erheen. En Muafak kon ik niet bereiken. Ik hoop maar dat hij het begrepen heeft. En dat hij de volgende keer weer op me wacht.
Maar daar ben ik niet bang voor.

Jo van der Spek, mei 2004 Ilha Grande (Br)