
Een container staat voor niets. Maar zo alomtegenwoordig de container is, zo miskend is dit factotum van de oude economie. Het duizend dingen doosje komt pas in beeld als het misgaat. En als container zijnde ben je daar niet blij mee. Je lijkt zo slechts het voertuig van ellende, al wat nut en baat heeft valt niet op. Verre van loos, is de container geladen met metaforen: een bloedeloze nomade zonder paspoort, de pakezel robot, de ideale gastarbeider, een toerist zonder klachten: hij blijft maar komen en gaan. De container circuleert als bloed, als geld, als goed en kwaad.
Een ongelukkige container staat ergens weg te roesten. Die neiging tot inertie komt goed overeen met de onverschilligheid waarmee zij evengoed bewogen als met rust gelaten wordt.
Echt uitgelaten is een container als hij zijn potentie kan uitleven: multi-purpose, alles opslaan, alles vervoeren en ontploffen als het zo uit komt. Dood en verderf zaaien én oogsten.
Je bent overal thuis: van Chili tot Dili. In kampongs
en kampen, terminals en themaparken. Met een voorkeur voor transfer points
en eindstations. Bij natuurrampen en ontruimingen. Op waste lands, campings
en kunstenaarsdorpen. Mensvriendelijk een zeiltje boven de deur, als een
tentluifel. Een houten vloertje erin. En dan een raam uitzagen. Voilá
mobil home, kapperszaak, galerie. Stroom trekken, mobitelletje, een antenne.
Linux, Mac of Raampjes booten: voilá cyberterminal, radiostation,
spionagepost.
Of half vergrendeld vol vuurwerk in Enschede.
Of half theater in Wenen.
Of hele doodskist in Dover.
De container waart rond.
Roaming access.
Quintessens en grensgeval.
Spook ook.
Borderline case.
De draagbare logheid van het bestaan lossen.
Portable solutions bieden.
Liever een kijkdoos dan een zwarte doos.
Dat wil de container: