Inleidend
58 Chinezen vonden de dood in een container, twee overleefden het.
Hoe stierven ze? Niet van honger of dorst, maar in een gevecht om
lucht.
A wordt gered door de mythe: gij zult eten voor u sterft.
B is de cynicus van de rede, die overleeft doordat hij zich verbindt
met A, die hij veracht.
A is de naieveling van het instinct, en de achterocht.
We werpen een blik in de container en worden geconfronteerd met
de vraag:
lucht, wie gunnen we nog lucht?
Toneelbeeld
De zaal = de container
Een luchtrooster op ooghoogte, ter grootte van een hoofd, hierdoor
valt licht in de container.
Decorstukken: een manshoge stapel kistjes met tomaten, een kooi
met een kanarie, een vlinder, 2 anderhalve literflessen water, twee plastic
tassen van de reizigers.
De geur: een lucht van zweet, pis en dood maakt zich geleidelijk
aan meester van de atmosfeer.
Geluid: een soundscape op band met het gelui van de truck, de boot,
de radio, etc.
Twee personages: A. is begin 20, visser, oude blauwe kleren (T-shirt,
kiel, wijde broek, gympies); B. begin 30, handelaar, T-shirt, blouse, afgedragen
colbertje, schoenen.
Ze staan dicht op elkaar, tegen de tomatenkisten gedrukt.
Het publiek zit, zaal is donker en stil, alleen de kanarie zingt,
een vlinder fladdert
Aktie
band met soundscape
containerdeuren gaan dicht (of open!), goed hoorbaar
een stem van buiten spreekt:
Een container staat voor niets. Maar zo alomtegenwoordig
de container is, zo miskend is dit factotum van de oude economie.
Het duizend dingen doosje komt pas in beeld als het misgaat.
En als container zijnde ben je daar niet blij mee.
Je lijkt zo slechts het voertuig van ellende, al wat
nut en baat heeft valt niet op.
Verre van loos, is de container geladen met metaforen:
een bloedeloze nomade zonder paspoort, de pakezel robot, de ideale gastarbeider,
een toerist zonder klachten: hij blijft maar komen en gaan.
De container circuleert als bloed, als geld, als goed
en kwaad.
Een ongelukkige container staat ergens weg te roesten.
Die neiging tot inertie komt goed overeen met de onverschilligheid
waarmee zij evengoed bewogen als met rust gelaten wordt.
Echt uitgelaten is een container als hij zijn potentie kan uitleven: multi-purpose, alles opslaan, alles vervoeren en ontploffen als het zo uit komt. Dood en verderf zaaien én oogsten.
Je bent overal thuis: van Chili tot Dili. In kampongs en kampen, terminals en themaparken. Met een voorkeur voor transfer points en eindstations. Bij natuurrampen en ontruimingen. Op waste lands, campings en kunstenaarsdorpen. Mensvriendelijk een zeiltje boven de deur, als een tentluifel. Een houten vloertje erin. En dan een raam uitzagen. Voilá mobil home, kapperszaak, galerie. Stroom trekken, mobitelletje, een antenne. Linux, Mac of Raampjes booten: voilá cyberterminal, radiostation, spionagepost.
Of half vergrendeld vol vuurwerk in Enschede.
Of half theater in Wenen.
Of hele doodskist in Dover.
De container waart rond.
Roaming access.
Quintessens en grensgeval.
Spook ook.
Borderline case.
Liever een kijkdoos dan een zwarte doos.
Dat wil de container:
doorzichtig zijn.
licht vol op door het rooster (en wordt allengs minder en minder)
geluid van startende en optrekkende truck
A valt tegen B aan
B. Au. He, idioot, je staat op mijn tenen! geeft A een duw
A. Sorry, ik werd geduwd.
B. Heb jij soms nog nooit in een auto gezeten?
A. Sorry, ik zei toch sorry.
B. (kortaf): Ga zitten. Hier kunnen we tegenaan leunen.
(gaan zitten met de rug tegen de tomatenkisten. A kijkt tussen z'n
knieen. B om zich heen)
B. De laatste ruk.
A. Ja.
B. En heb je nog wat gegeten?
A. Ja. Dank je. En jij?
(verzitten wat, B werpt een blik op de tomaten)
B. Ik kan altijd eten.
A. Mijn rijst is op.
B. Als je maar kunt drinken.
drinkt water uit een plastic fles
de truck rijdt, de vlinder fladdert vrolijk rond, kanarie zingt
van buiten dringt stadsgeluid door, B. staat op en gluurt door het
luchtrooster naar buiten.
Ze bewegen mee met de bochten in de weg.
B. Zo te zien zijn we niet meer in het havengebied. Maar ik zie nog
wel meeuwen vliegen.
A. Wat wil je toch veel weten
B. Dat komt omdat ik al het een en ander weet.
A. Wat dan?
B. Wij zijn niet de eersten die deze tocht maken.
A. Ja, dat weet ik ook.
B. Goeie handel
vrachtwagen stopt voor stoplicht
B. Ik hoop dat die vent een beetje doorrijdt, 't is me nu al te warm
hier binnen. (trekt colbertje uit)
chauffeur zet de radio aan, weerbericht: zonnig en warm
A. Jij hebt me geholpen
B. Geholpen? Je wilde helemaal niet weg.
A. Neen, ik wilde niet, ik moest.
B. Hebben ze je gedwongen?
A. Ik kon niet vissen. Ik kon niet zwemmen. Ik verspeelde hele netten.
En ik kon niet boeten.
B. Dus ze wilden je kwijt?
A. Ik was teveel. Ik moest boeten. En geen hond zal me missen.
vrachtwagen trekt weer op
A. Waarom heb je me geholpen?
B. (gaat er weer bij zitten, zucht) Het werd me gevraagd
A. Wie? Ik soms?
B. Neen, die familie van je.
A.(zacht, als een bekentenis) Ik heb helemaal geen familie.
B. (verrast, kijkt A. aan) He?
A. (kijkt star voor zich uit) Ze hebben me gevonden. Ik was
nog een baby.
B. En?
A. Ze moesten me in huis nemen. Ze hadden geen zoon.
B. Nou begrijp ik het.
A. Wat?
B. Waarom het zo makkelijk ging.
A. Wat?
B. Je paspoort.
A. Mijn valse paspoort.
B. Ja, wat dacht je dan?
A. Ik ben altijd vals geweest.
B. Dat heeft dus z'n voordelen.
A. Ja, geen hond die me zal missen.
B. Zolang je maar op tijd betaalt. (staat weer op en zoekt koelte
bij het luchtrooster)
vrachtwagen rijdt een stukje achteruit, waardoor ze beide omvallen.
Zitten weer naast elkaar
B.Shit, zo schieten we niet op.
(radio gaat harder: verkeersinformatie, langzaam rijden en stilstaan
bij Van Brienenoordbrug, muziek: "Je loog tegen mij" Drukwerk)
A. Sta ik bij jou ook nog in het krijt?
B. Nee hoor, ik heb meteen afgerekend.
A. Da's handig.
B. Ja hoor 'es, IK ben geen mislukte visser.
A. Wat ben je dan?
B. Ik weet toevallig de weg.
A. Waarheen dan?
B. (kijkt en gebaart om zich heen) Nou, hierheen bijvoorbeeld.
A. Dus je bent gewoon een handelaar.
B. Ik ken toevallig de juiste mensen.
A. Je bent een uitzuiger.
B. Ach, je pikt je graantje mee. Maar voor zo'n vislulltje als jij
valt er natuurlijk weinig te pikken.
A. Weet je wat ik niet snap? Waarom ze altijd mij moeten hebben.
B. Ik dacht dat ze jou juist niet moesten hebben.
A. (even scherp) Hou nou effe je kop ja. Jij profiteert er nog
van dat niemand van mij kan profiteren. En die vriendjes van jou, die lui
die jij toevallig kent, die profiteren ervan dat ze mij thuis niet lustten.
B. Precies. En de rest van je leven zul je bloeden. Voor al die mensen
die toevallig wel de weg weten, maar die je toevallig ook nog een kans
geven om verder te komen dan netten verspelen en touwen in de knoop trekken.
Man, doe niet zo zielig.
Radio op: Melvin zingt Ohohohranje
A. En toch snap ik het niet.
Truck rijdt door een tunnel, merkbaar aan licht en geluid
B. Een tunnel.
A. kijkt om zich heen
B. Mijn vader zat zijn hele leven in tunnels. Tinmijnen. Dat was ik
dus niet van plan.
A. Slecht voor je rug he?
B. Vooral als zo'n tunnel instort, ja.
tunnel uit, kanarie zingt
A. Ik heb in drie weken drie verschillende namen gehad.
B. En een nummer, vergeet dat niet.
A. Wat moet ik nou met al die namen?
B. Ik heb er wel tien, en die heb ik hard nodig ook. En m'n nummer.
Zonder nummer geen ticket weet je nog?
A. Weet je dan nog wel wat je echte naam is?
B. O jawel, maar denk maar niet dat ik die jou aan je neus ga hangen.
A. Ik HEB geen echte naam.
B. Ja, daar kan ik je ook niet aan helpen.
A. Geen mens weet hoe mijn ouders mij ooit hebben genoemd.
B. Wie zegt dat ze jou een naam hebben gegeven? Waarom hebben ze je
anders te vondeling gelegd?
A. 't Interesseert jou geen ene reet hoe ik heet he?
B. 't Enige wat nu telt is je nummer. En de hoogte van je schuld.
A. Dank je.
vrachtwagen op de snelweg, continu geluid, op de radio "Langs de lijn" met live EK voetbal.
A.(staart voor zich uit) Ik haat vis. Ik haat de zee. Telkens
weer als ik op die rotboot moet klimmen, in die koude golven en de snijdende
wind mijn vingers en oren bevriest. Dan voel ik de haat door mij heen trekken.
Als de touwen die mijn handen open snijden.
trekt een vissengezicht: glazige ogen, luchthappende mond
B. (heeft niet naar A.geluisterd) Ik haat vis. Ik haat het geglibber
als ze vers zijn. Die dode ogen in mijn nek, de zieke kieuwen, de gore
darmen. En de kisten vol rottende lijken die ik terug moest nemen van de
markt. En die achterlijke klojo's die ze aan land halen en er nog
geld voor durven te vragen ook.
Inhalige stinkdieren, onzalige nachtbrakers.
drinkt water
A. En altijd donker. Op zee spartelen tussen de netten met mijn vingers
in de vis. Ze open snijden bij een olielamp. En overdag slapen in een varkenskot,
waar die imbeciele opa me wekte met zijn scheten en zijn stront. De weg
naar school. Ik verstopte me onder mijn pet, om de pestkoppen niet te horen.
Vislul, gevonden voorwerp, vals varken.
trekt kiel uit
B. staat op en loert door het rooster. Een flard radiogeluid. Draait
zich om naar A:
B. Zeg, eh, wat ga jij eigenlijk doen?
A. Hoe bedoel je?
B. Nou als je daar bent.
A. Oh, ik heb een telefoonnummer.
B. (lijzig sarcastisch) Zoo
A. Wat nou, "zoo"?
B. Neen, niks.
A. Heb jij geen familie dan?
B. Tuurlijk wel.
A. Oo
nemen een slok water, vegen zweet af. A. trekt kiel uit. B. gaat
er weer bij zitten.
B. 35000 gulden
A. Voor een enkele reis
B. Wist je dat een minister of een zakenman net zoveel betaalt?
A. He?
B. Eerste klas, geheel verzorgd, een limousine rijdt je naar het vliegveld,
je hebt extra beenruimte en je kunt eten zoveel als je wilt.
A. Rechtsreeks!?
B. Geen probleem.
geluid op, A en B bewegen mee met de bocht
A. (met een dwangmatige drang tot benoemen van elke mogelijkheid
tot orientatie): bocht!
B. (weet het nog beter): 90 graden
(loopt naar het luchtrooster): He he,
even wat frisse lucht.
A. Wat zie je?
B. Geen bergen. Zo plat als een dubbeltje. Ook geen bloemen trouwens.
A. Zie je water, zie je een schip?
B. Nee. Wolken. Weilanden met koeien. En veel auto's. He, oranje vlaggetjes.
A. Zie je ook mensen lopen?
B. Nee, alleen koeien en auto's. En een gele trein in de verte.
A. Zijn wij in het verkeerde land geboren?
B. Ik zie ook een ongelooflijk lange kaarsrechte rij bomen.
A. Zijn wij verkeerd geboren?
B. Ik niet. Ik hoop alleen maar dat ik op het goeie moment ben vertrokken.
A. Heb je nu al spijt dan?
B. Nee, waarom zou ik?
A. Heimwee?
B. Wat lul je nou? Ik ben overal thuis.
Hé, een rokende schoorsteen!
A. (angstig): Is het een boot? (staat op loopt naar
B toe en probeert hem opzij te duwen)
B. Blijf van me af! ( geeft A. een trap die op de grond valt en
steunend terug kruipt naar de tomatenkisten)
Je moet je poten thuis houden, begrepen?
A. (kleintjes): Was het een boot?
B. Wat? Waar heb je het over?
A. Die schoorsteen die je net zag.
B. Oh die, neen, dat was geen boot.
A. Geen zee?
B. Geen zee.
A. Gelukkig, ik hoef geen boot.
A. trekt shirt uit, beiden drinken water
radio: commercials
A. Weet je wat ik wil?
B. Neen, wat?
A. Een stofzuiger. Ik heb mijn hele leven al een stofzuiger willen
hebben. Een machine die alles in een keer opzuigt. Niets blijft achter.
Alles weg.
B. Ja ja. Maar heb jij je wel eens afgevraagd of ze daar op ons zitten
te wachten?
A. Natuurlijk, ik kan meteen aan het werk Schoonmaken of zo
B. Dat bedoel ik niet. Ik bedoel de regering. De regering van
het westen?
A. Geen idee, maar wij gaan toch al honderd jaar naar het westen?
B. Als ze van ons kunnen profiteren zullen ze het niet laten natuurlijk.
A. Ik heb altijd gehoord dat westerse mensen heel graag in onze
restaurants eten.
B. Omdat we goedkoop zijn. En veel opscheppen.
A. Nou dan.
B. Waarom zitten we hier opgesloten in een container?
A. Heb jij nooit in de bus gezeten naar de hoofdstad? Dat was net zo
benauwd als hier. En als je in handen van de politie valt kost het je een
hoop geld.
B. Ja, als je geluk hebt.
A. Nou, tot nog toe hebben we alleen maar geluk gehad. We reizen nog.
B. En we leven nog...
A. Dus we komen steeds dichterbij.
kanarie zingt, vlinder fladdert
A. En wie zou er last van ons kunnen hebben?
B. Niemand. Want niemand ziet ons.
A. En we vragen niemand iets.
B. Niemand hoeft ons iets te geven.
A. Niemand hoeft te weten dat we er zijn.
B. Wij redden onszelf.
A. We zijn er eigenlijk helemaal niet.
B. En we zijn er altijd.
A. En de meisjes?
B. Die zijn er ook altijd.
B neemt nog een slok
A. Smakelijk.
geluid
A. we gaan omhoog!
geluid
B. 3 graden (staat op en loopt naar het luchtrooster)
A. En weer naar beneden.
B. Een brug
(gaat weer zitten)
B. Zij kwamen eerst bij ons. Voor zijde, papier en opium. Dat
konden ze krijgen.
Maar toen we voorwaarden gingen stellen kwamen ze met oorlogsschepenl.
En ze vernederden ons.
Mijn vader heeft het daar nog steeds over.
(staat op scharrelt wat bij de tomatenkisten, neemt er een in de
hand, ruikt, biedt hem A aan. Die kijkt ernaar alsof ie nog nooit een tomaat
heeft gezien.)
A.Ik ben geen dief.
B (Legt tomaat weer terug. Hervat zijn betoog): Toen ze ons
niet meer klein konden houden, kwamen ze met napalm. Met de atoombom. Agent
Orange. AIDS.
We zijn lucht voor ze.
radio op: weerbericht, hoge luchtdruk gebied
A. Maar waarom zouden we niet welkom zijn? We doen toch precies wat
zij willen?
We gaan ons te pletter werken, sturen het geld naar
huis en als we niet meer kunnen werken gaan we terug. Of dood natuurlijk.
B. Je kent ze niet.
A. Wie?
B. We zijn hier niet in China.
A. Je meent het!
B. Ik wil ze opeten
A. Wat? Wie? Die tomaten?
B. Alles, iedereen.
A. Volgens mij ben jij gestoord.
B. Misschien.
zweet vegen, ze nemen een slok water uit de fles, B trekt blouse
uit
A. Maar eerlijk is eerlijk. Ze doen toch ook aan ontwikkelingshulp.
B. Als een neushoorn op rolschaatsen.
A. Voor de armsten.
B. Met grote gouden oorringen.
A. En zo efficient mogelijk.
B. En elfenbeentjes.
A. Nou, wij zijn arm en wij stoppen alles in onze eigen ontwikkeling.
Ze hoeven ons alleen maar met rust te laten.We hebben niemand nodig.
B. Behalve de handelaars.
A. Maar dat zijn ONZE handelaars.
B. Mooi niet, wij zijn van hun. Jij bent hun slaaf. En niemand zal
je helpen. Omdat jij iedereen nodig hebt. Omdat jij een kleine klootzak
bent die zichzelf niet kan redden. En daarom denk jij nog steeds dat mensen
goed zijn, dat ze dat altijd geweest zijn en altijd zullen blijven.
A. En wat ben ik thuis?
B. Ook een domme boerenlul natuurlijk. Maar wel thuis.
A. En jij, wat ben jij dan?
B. Ik wil weten. Waar ik naartoe ga.
A. En, weet je het al?
B. Nog niet nee.
A. Ik wel, ik heb een nummer. [= telefoonnummer]
B. Da's fijn voor je.
geluid vrachtwagen
A. we stoppen!
geluid motor stationair, radio: intro In the Dutch mountains
(The Nits)
B. we staan stil.
staat op en loopt naar rooster
een portier gaat open, radio op (The Nits), portier klapt weer dicht
voetstappen
een schaduw klimt opzij tegen de container
een blanke hand wordt zichtbaar die een luik voor het luchtrooster
klapt
het is nu vrijwel geheel donker (zwakke spot licht acteurs en vlinder
aan)
even is het stil, alleen de kanarie zingt, voetstappen, chauffeur
stapt weer in.
B kijkt verstijfd en verbijsterd naar het afgesloten rooster,
A neemt snel een slok water
vrachtwagen trekt weer op
B. Klootzak. Godvergeten klootzak! Dat luik moet openblijven.
A. Zie je nou niks meer?
B. Dat luik moet open blijven, snap je dat niet? (snel, kortaf)
Heb je een aansteker?
A. Nog geen een tandenstoker
B. (duwt met zijn vingers tegen het rooster, door de gaatjes probeert
hij het luik open te duwen of schuiven. Smekend)
Open, je moet open, alsjeblieft, ga open.
geluid, vrachtwagen trekt op
A. Daar gaan we weer
B. De boot op. (blijft zitten, met geopende [vissen]mond)
A. Ik moet pissen (hij richt zich op en plast tegen de tomatenkistjes.
Leunt tegen kisten aan, wordt duizelig, gaat bij B. zitten)
De truck rijdt de veerboot op, staat stil, de motor gaat uit, radio
blijft spelen. De motor van de veerboot wordt hoorbaar.
Met het sluiten van het luik wordt de zuurstof schaars. De reizigers
krijgen ademnood: hoesten, rochelen.
A kijkt B indringend aan, vragend, B knikt. A. springt op en begint
buiten zinnen te schreeuwen:
OPEN, DOE OPEN, GA OPEN!!
A gaat bonken, rammen op de wanden, met vuisten en gympen, als een
wilde worden tomatenkistjes gesloopt en stukken hout gebruikt om lawaai
te maken, het luikje open te krijgen.
HELP!!
Chauffeur zet de radio harder. (Normaal)
Uitgeput beland A naast B., die al die tijd stil is blijven zitten,
zijn glazige blik gaat heen en weer tussen A in aktie en de kanarie
A Kijkt om zich heen, ziet dat de kanarie dood op de grond ligt.
Staart er naar, net als B.
Chauffeur zet de radio uit en stapt uit de cabine, loopt weg.
A: (verwildering maakt plaats woede): We gaan dood! We gaan er
allemaal aan!
B. (bevelend): Hou je stil. Schreeuwen kost lucht, inspanning
kost lucht. Je maakt jezelf dood. Ik niet.
A. (verbaasd): Het kan jou niks schelen, he? Dat we hier dood
gaan.
B. Ik wil niet dood.
A. (stemverheffing): Maar je doet niets!
B. (zachtjes): Wat zou je willen dat ik deed?
A. Wat heb je gedaan?! Waarom heb je dit niet gestopt, waarom heb je
ons in deze val laten lopen? Jij weet alles toch zo goed!
B. Denk je dat?
A. Ja, volgens mij heb je dit zaakje nooit vertrouwd. Volgens mij...,
volgens mij heb je dit alles geweten.
B. Denk je dat?
A. Volgens mij ben je bezig om als enige aan te komen. Maar dat zal
je niet lukken.( grijpt B. naar de keel, probeert hem te wurgen. Maar
hij heeft geen kracht.)
B. Stop, idioot. (worstelt zich vrij) Zo maak je jezelf dood,
dat probeer ik je nou de hele tijd uit te leggen.
A. Jij zegt dat we stil moeten zijn, he?
B. Ja.
A. Dat zeiden die mannen ook toen we hierin stapten.
B. Klopt: luik dicht, kop dicht.
een vrouwelijke radiostem leest voor:
In de vorige eeuwen namen mijnwerkers kanaries in kooitjes
mee de kolenmijnen in. Een belangrijk gezondheidsrisico in de
mijnen was de mogelijke aanwezigheid van reukloze kool-monoxide-gas.
Te hoge en dus verstikkende concentraties kwamen
regelmatig voor in de mijnen. Kanaries zijn gevoeliger
voor verstikking door koolmonoxide dan de mens. Viel een kanariepietje
van zijn stokje (letterlijk), dan was het risico op koolmonoxide-vergiftiging
groot en was het dus zaak om de mijn snel te verlaten.
De werkgever dient zijn productieprocessen dusdanig in
te richten dat opname van giftige stoffen door de werknemers zoveel mogelijk
wordt
voorkomen. Met behulp van adviezen van de arbodienst
en ander instanties kunnen beheersmaatregelen worden ontwikkeld en toegepast.
Men
moet hierbij denken aan het gebruik van minder schadelijke
stoffen, afzuiging, ventilatie, afscherming van de werknemers, gebruik
van
persoonlijke beschermingsmiddelen etc.
A. Maar waarom ik?
Waarom zit ik hier? In deze container, in
deze oven?
B. (heeft zijn cynisme weer hervonden) Zeg dat wel. 't Lijkt
zo langzaamaan meer op een magnetron dan een fruitautomaat.
A. Stop! Je lult er weer omheen. Maar ik begin toevallig iets te begrijpen.
En jij weet er meer van. Jij MOET er meer van weten.
B. Waarvan? Dacht je dat ik hier voor mijn lol zit?
A. Jij hebt geholpen. Jij bent een handelaar, dat heb je nooit ontkend.
En handelaars zijn gokkers.
B. Daar heb je een punt.
A. (scherp): Wat doet een hart?
B. (oprecht verbaasd): Wat?
A. Een hart, wat doet een hart?
B. Een hart slaat. Tenminste zolang het duurt.
A. Precies. En als het niet meer slaat, wat doet het dan?
B. Dan is het afgelopen. Uit. Over. Kaputt. Finito.
A. (vertrokken triomfantelijke grijns) Tenzij...
B. Tenzij wat?
A. Tenzij je het hart van een ander neemt.
B. Dus je denkt dat ze jouw...
A. Ja, en jij hebt het toegegeven. Ik heb geen naam, ik ben niemand
en niemand zal me missen. En dat heeft zo zijn voordelen. Dat zei je.
B. Je bent gek. Je ziet spoken.
A. Ik zie jou, ik hoor jou. jij hebt geholpen.
B. Stop. Neen, wacht!
A. (fluisterend) Je bent een handelaar. Je bent een moordenaar.
B. (grijpt A. vast, schudt hem door elkaar, panikeert, schreeuwt)
Kijk me aan, idioot. Word ik hier beter van?
A. (ligt nu,blik omhoog, zachtjes, berustend): Je hebt verkeerd
gegokt.
B is buiten adem naast hem neergevallen
radiostem:
Een van de veel voorkomende aandoeningen
bij slangen zijn ontstekingen van de longen, ook genoemd
longontsteking of pneumonie .
Om de ziekte goed te kunnen beoordelen
moet men weten dat er verschillende soorten longontstekingen
zijn, die berusten op verschillende
verwekkers.
Het verloop van de uitwendig herkenbare symptomen is als volgt:
Onrustige ademhaling.
Pompende, versnelde ademhaling, soms niezen.
Geopende bek.
De ademhaling wordt reutelend hoorbaar.
Slijm in de bek en soms uit de neusgaten.
De dieren worden zeer apathisch en weigeren voedsel.
De dood volgt door verstikking,
uitputting, ingewandontstekingen en vergiftiging door
afgescheiden toxinen.
Aan de hand van bovengenoemde verschijnselen kan men longontsteking opmerken.
Voor gedetailleerde diagnose is echter microscopisch onderzoek
nodig van tracheavocht of, indien
aanwezig, van slijm.
A.(gelaten nu, de zinloosheid van aktie inziend, schudt met zijn
hoofd): Wie had dit ooit gedacht?
B. Jij niet.
A. Jij wel dan? argwaan
B: (half bij bewustzijn, ijlend)
Ik heb genoeg van jou, hoor je dat?
twee weken jouw adem, jouw putlucht in mijn systeem, je pis in mijn
broek
twee weken jouw poten in mijn kruis, je haar in mijn mond, je sappen
in mijn smoel
Ja ik ben blij dat je sterft.
En waarom zou IK niet sterven?
Omdat jij het voor mij doet?
radiostem:
Hoe luchtiger de grond, des te sneller kan het wortelstelsel
zich ontwikkelen.
Ook kan het water met de toegevoegde voedingsstoffen
sneller en gelijkmatiger
doordringen in de grond. De kans op verstikking van de
wortels komt niet meer
voor en tevens voorkom je dat de grond te lang drassig
blijft, doordat de
afwatering van overtollig voedingswater sneller verloopt
(door de luchtige grond).
A: Mijn moeder liet de vlinder los. We keken hoe hij wegfladderde.
B: De goeie kant op, hoop ik?
A: Hij werd gedragen op de wind.
B: Onhoorbaar.
A: We keken hem na.
de vlinder vliegt
B (volgt hem met zijn ogen): Jij bent de enige wind.
verliest het bewustzijn, alleen het geronk van de motor is nog hoorbaar
helemaal donker, het begint goed te stinken
B. Ik droomde
A. Ik dacht dat ik dood was.
B. Ik droomde dat ik leefde. En deze container vloog door de lucht.
A. Als een vliegtuig!
B. Het was meer een vlinder. We fladderden.
A. Wij?
B. Ja, jij was ook in mijn droom.
A. En waar fladderden we heen?
B. Geen idee. Er was zon. En wind. Het was warm
A. Klinkt goed, vertel me over de wind.
B. De wind was de wind van onze bergen. De wind die over de bergen
komt en onze rijst laat golven.
A. Onze wind!
B. En ik hoorde het fluisteren van mijn vader.
A. Wat zei hij.
B. Dat weet ik niet, want op het moment dat ik zijn stem herkende verdween
hij weer.
A. En toen?
B. Toen zag ik jou.Je speelde met een vlinder. Je was een kind.
A. Wat deed ik met die vlinder?
B. Je hield hem vast, een vleugeltje tusssen je vingers. En met je
andere hand probeerde je het andere vleugeltje vast te pakken.
A. Heb ik hem dood gemaakt?
B. Nee, hij wist zich los te rukken. Hij sloeg met z'n vleugels in
je gezicht. Zo hard dat je tegen de grond sloeg.
veerboot legt aan met een zachte botsing, motor blijft stationair draaien
A. (peinzend) Neen, mijn moeder was niet bang.
Of ja, misschien was ze ook wel bang. Dat ik nog eens terug zou komen.
Of voor de schuld?
Dat ze me wegdeed. Ze deed me weg. Als een hond.
(paniek kruipt in zijn stem)
Moeder, waar bent u? Waarom deed u mij weg? Verzopen als een pas geboren
puppie.
Was u soms blij dat u van me af was?
Nu kunt u er zeker van zijn dat u me nooit meer zult zien.
Nooit zal u mij nog onder ogen komen.
Maakt dat u niet blij? Voor goed van mij af.
(radeloos) U gaf mij leven. Bloed.
Maar geen melk. Geen licht. geen lucht.
Is dit wat u wilde? Of wat u niet wilde?
Niet wilde zien? Niet wilde weten?
Ziet u mij niet dan?
U ziet mij toch?
Ja toch.
MOEDER!
Zeg dat u mij ziet!
Zeg mij wie ik ben.
begint te neurien: Oohoranje
B. Je zingt ook al vals.
fluisterend
B. Lucht, wie gunnen we nog lucht?
A. Behalve onszelf?
B. Ons?
A. Ik jou? Jij mij?
vlinder vliegt
A. draait zich om, gezicht naar de tomaten gewend, een paar tomaten
liggen vlakbij, de geur dringt in zijn neus (door de stank van de dood
heen). Hij hapt naar een tomaat, drukt hem in zijn mond en eet.
B. kijkt toe, na een poosje begint hij mee te eten.
Samen verslinden ze zoveel tomaten als ze kunnen, sap vliegt in
het rond. Dan raken ze weer bewusteloos.
de container gaat open (of dicht!)
LICHT